Ablatie

Ablatie is een behandeling bij hartritmestoornissen. De arts blokkeert de elektrische prikkels in het hart die het ritme verstoren. Ableren gebeurt via katherisatie of een (kijk)operatie.

Bij hartritmestoornissen is de elektrische aansturing van het hart verstoord. Er ontstaan prikkels op verkeerde plaatsen, of ze volgen een verkeerde route over het hart. Bij een ablatie beschadigt de arts het hartweefsel juist op die plaatsen. De littekens die ontstaan, blokkeren de voortgeleiding van elektrische prikkels.

Ablatie per hartritmestoornis

De ablatie kan op verschillende plekken in het hart plaatsvinden. Dit hangt af van de hartritmestoornis. Soms schakelt de arts de plaats uit waar storende prikkels ontstaan. Soms gaat het om een extra verbinding of een bepaalde route die de stoornis veroorzaakt. Voorbeelden:

  • AV Nodale Re-entry Tachycardie (AVNRT) - Bij deze aandoening is er een snel en een langzaam pad in de AV-knoop. De arts ableert het langzame pad.
  • Wolff-Parkinson-White Syndroom (WPW-syndroom) - De ablatie verbreekt de extra elektrische verbinding tussen boezems en kamers.
  • Kamertachycardie - Ritmestoornissen ontstaan bij deze aandoening op een vaste plek (focus). De arts schakelt deze plek uit. Soms is de stoornis het gevolg van een hartinfarct. Er lopen dan grillige geleidende paden in het infarctgebied die uitgeschakeld moeten worden.
  • Boezemflutter - Rondcirkelende stroom rondom de tricuspidalisklep tussen de rechterboezem en -kamer. De arts onderbreekt de cirkel door een lijn van puntjes te branden
  • Boezemfibrilleren - Prikkels ontstaan vaak in en rond de longaders (pulmonaalvenen). De arts isoleert deze plekken (pulmonaalvenenisolatie). Als deze behandeling niet lukt, kan de arts een ablatie van de bundel van His uitvoeren. In dat geval is ook een pacemaker nodig.

Patiënten met hartritmestoornissen komen in aanmerking voor een ablatie wanneer:

  • zij veel klachten hebben
  • de ritmestoornis ernstige gevolgen kan hebben
  • andere behandelingen onvoldoende resultaat gaven
  • medicijnen onvoldoende helpen of vervelende bijwerkingen geven

Verloop van een katheterablatie

Een veelgebruikte techniek is de katheterablatie. Bij een katheterablatie gebruikt de arts een katheter om beschadigingen in het hartweefsel aan te brengen. Dit is een dun slangetje met daarin een draad. Het uiteinde van de draad wordt verhit of gekoeld.

De patiënt krijgt een lokale verdoving op de plek waar de katheters ingebracht worden. Dit is meestal de lies. De arts schuift de katheter vervolgens door de bloedvaten naar het hart.

De arts kan op 2 manieren littekens maken:

  • verhitten met radiofrequente energie (RF-ablatie)
  • bevriezen (cryoablatie)

Tijdens het maken van de littekens ontstaat een branderig, soms pijnlijk gevoel. Meestal zijn meerdere littekens nodig. Na elk litteken moet de katheter weer opnieuw op de juiste temperatuur komen. De totale ablatiebehandeling duurt 2 tot 4 uur.

Na de katheterablatie

Meestal mag de patiënt de volgende dag naar huis. De patiënt moet alleen even rustig aan doen vanwege de wond in de lies.

Het kost tijd voordat de wondjes in het hart echte littekens zijn en geen prikkels meer geleiden. In de eerste maanden voelt de patiënt daarom nog steeds ritmestoornissen. Vaak mag de patiënt ook niet meteen stoppen met medicijnen voor de hartritmestoornis.

Na de katheterablatie moet de patiënt nog een tijd medicijnen blijven gebruiken om stolselvorming op de littekens te voorkomen.

Risico's van katheterablatie

Katheterablatie is een veilige ingreep. Het meest vervelende is vaak een bloeduitstorting op de prikplaats. Soms ontstaat tijdens de ingreep:

  • een snelle hartritmestoornis waardoor de patiënt het bewustzijn kan verliezen. De arts brengt het hartritme weer onder controle via cardioversie.
  • beschadiging van de hartspier waardoor er vocht in het hartzakje komt
  • stolselvorming op de katheter (medicijnen kunnen dit voorkomen)
  • beschadiging van de AV-knoop, waardoor een pacemaker nodig is. De kans hierop is erg klein, minder dan 0,5%.

De kans op succes verschilt per aandoening en per patiënt. Bij sommige ritmestoornissen is dit meer dan 90%. Bij boezemfibrilleren is de kans op succes lager. De cardioloog kan hiervan de beste inschatting maken. Soms moet de ingreep herhaald worden om de klachten definitief te laten verdwijnen.

Vormen van ablatie

Andere vormen van ablatie zijn meestal bedoeld voor specifieke ritmestoornissen:

Bij sommige technieken maakt de arts ook littekens aan de buitenkant van het hart. Daarvoor is een (kijk)operatie nodig.

Maze-operatie

Ablatietechnieken stammen af de maze-operatie. Dit is de oudste operatieve ingreep bij ritmestoornissen. De hartchirurg maakt littekens op speciale plekken in beide boezems van het hart. Er ontstaat een soort doolhof (maze). Dit doolhof bepaalt de weg die de prikkel moet volgen en blokkeert tegelijk de weg voor storende prikkels.

De klassieke maze-operatie wordt niet vaak meer uitgevoerd omdat het een openhartoperatie is, waarbij de borstkas geopend moet worden. Dit is een zware operatie met meer risico dan ablatie via een katheter of kijkoperatie.

Soms wordt deze maze-techniek gebruikt tijdens een bypass- of hartklepoperatie. De borstkas moet dan toch al geopend worden.

Vragen over hart of vaten?

Mail de Infolijn Hart & Vaten

stuur een e-mail

Bel de Infolijn Hart & Vaten 0900 3000 300

maandag t/m vrijdag van 9.00 - 13:00 uur.

Hartstichting.nl gebruikt cookies om het gebruik van de website te analyseren en het gebruiksgemak te verbeteren. Lees meer over cookies.

Stel uw persoonlijke cookie-instellingen in. Hou er rekening mee dat bepaalde onderdelen van hartstichting.nl niet of niet optimaal zullen functioneren als u cookies blokkeert. Lees ons cookie-statement voor meer informatie.