Hartstichting.nl wordt geladen

Strenge selectie

De Dekkerbeurzen zijn toegekend aan onderzoekers van Amsterdam UMC, Maastricht UMC+, UMC Utrecht, Universiteit Leiden (LACDR), Catharina Ziekenhuis en Radboudumc.

De selectieprocedure voor een Dekkerbeurs is streng: er wordt gekeken naar de kwaliteit van de onderzoeker én de kwaliteit van het onderzoek. Met de beurzen stelt de Hartstichting de onderzoekers in staat om zich langdurig bezig te houden met wetenschappelijk onderzoek naar hart- en vaatziekten. Daarmee kunnen ze een volgende stap in hun carrière als onderzoeker maken. De Dekkerbeurs helpt hen een eigen onderzoekslijn op te zetten en uit te bouwen. 

Sneller oplossingen voor patiënten

Wetenschappelijk onderzoek is hard nodig om te voorkomen dat mensen overlijden of ziek en steeds zieker worden door hart- en vaatziekten. Met haar persoonsgebonden Dekkerbeurzen verbindt de Hartstichting daarom toptalent aan het hart- en vaatziektenonderzoek.

Nick van Es

Mensen die kanker hebben of hebben gehad, lopen extra risico op hart- en vaatziekten. Dit risico krijgt niet altijd genoeg aandacht. Dr. Nick van Es (Amsterdam UMC) ontwikkelt een slim computerprogramma dat CT-scans analyseert, om kalk in de bloedvaten bij het hart automatisch op te sporen.

Onderzoek Amsterdam UMC Nick van es
  • Risico op hart- en vaatziekten inschatten bij kankerpatiënten met bestaande CT-scans

    Lees hier meer over het onderzoek van dr. Nick van Es

    Mensen die kanker hebben of hebben gehad, lopen extra risico op hart- en vaatziekten. Dit risico krijgt niet altijd genoeg aandacht. Dr. Nick van Es ontwikkelt een slim computerprogramma dat CT-scans analyseert, om kalk in de bloedvaten bij het hart automatisch op te sporen.

    Mensen die kanker hebben of hebben gehad, hebben twee tot drie keer meer kans op hart- en vaatziekten dan andere mensen. Dat komt omdat mensen met kanker vaak ook risicofactoren hebben voor hart- en vaatziekten, zoals roken en een hogere leeftijd. Daarnaast zijn sommige kankerbehandelingen schadelijk voor het hart en bloedvaten.

    Risico eerder zichtbaar maken
    Als mensen kanker krijgen staat de behandeling van deze ziekte uiteraard centraal. Daardoor is er soms minder aandacht voor het risico op een hart- of herseninfarct. Dr. Nick van Es wil dit risico eerder zichtbaar maken met CT-scans die artsen al voor de kankerzorg laten maken.

    Kalk als waarschuwing
    “Kalk in de kransslagaders, de slagaders die het hart van zuurstofrijk bloed voorzien, is een teken van slagaderverkalking. Veel kalk kan wijzen op een groter risico op hart- en vaatziekten”, legt Nick van Es uit. Kalk kan je zien op een CT-scan. Voor een nauwkeurige kalkmeting is nu meestal een aparte CT-scan van het hart nodig. Dat kost extra geld en is belastend voor de patiënt. Op de CT-scans van de borstkas die voor de kankerzorg worden gemaakt is het hart ook te zien. Het is alleen lastig en kost tijd om de hoeveelheid kalk daarop handmatig te bepalen.

    Slim computerprogramma
    “Samen met mijn team ga ik daarom een computerprogramma ontwikkelen dat gebruik maakt van kunstmatige intelligentie: het leert kalk herkennen op bestaande scans”, aldus Nick van Es. Hij gaat het programma trainen met ongeveer 2.500 scans. Daarna test hij het met de gegevens van ongeveer 12.500 mensen. Bij ongeveer 25.000 mensen onderzoekt hij of de gemeten kalk latere hart- en vaatziekten kan voorspellen.

    Eerder passende zorg
    Werkt het programma betrouwbaar, dan kan één bestaande scan mogelijk twee doelen dienen: de kanker volgen en het risico op hart- en vaatziekten inschatten. Artsen kunnen dan eerder passende maatregelen bespreken, zonder een extra scan. Op termijn kan dit de zorg voor mensen met kanker verbeteren.
     

Annelies van der Hulst

Kindercardioloog dr. Annelies van der Hulst (Amsterdam UMC) gaat onderzoeken of je met een MRI beter kunt bepalen welke zorg een baby met een aangeboren hartafwijking direct na de geboorte nodig heeft. Dat kan onnodige hartzorg en stress bij ouders en de baby verminderen.

Foto: David van Dartel

 

Onderzoeker Annelies van de Hulst Amsterdam UMC
  • Beter voorbereid op de geboorte van een baby met een hartafwijking dankzij MRI

    Lees hier meer over het onderzoek van dr. Annelies van der Hulst

    Kindercardioloog dr. Annelies van der Hulst gaat onderzoeken of je met een MRI beter kunt bepalen welke zorg een baby met een aangeboren hartafwijking direct na de geboorte nodig heeft. Dat kan onnodige hartzorg en stress bij ouders en de baby verminderen.

    In Nederland worden er jaarlijks ongeveer 1400 kinderen geboren met een aangeboren hartafwijking. Ondanks de sterk verbeterde behandelingen overlijden er nog altijd baby’s aan een aangeboren hartafwijking. Goede informatie tijdens de zwangerschap is van levensbelang. Een echo rond 20 weken zwangerschap geeft vaak duidelijkheid. Toch blijft bij ongeveer 30 procent onzeker welke zorg de baby na de geboorte nodig heeft.

    Wanneer is extra zorg nodig?
    “Bij sommige baby’s is de linkerhartkamer kleiner dan de rechter. Ongeveer 60 procent van deze kinderen heeft direct na de geboorte hartzorg nodig. De andere 40 procent niet. Met een echo is dat verschil vaak moeilijk te zien”, licht Annelies van der Hulst toe. Daarom worden sommige baby’s voor de zekerheid opgenomen in een academisch ziekenhuis, terwijl dat achteraf niet nodig was.

    Meer duidelijkheid met MRI
    Met nieuwe MRI-technieken kunnen artsen de grootte en werking van de hartkamers nauwkeurig en veilig meten. Ook laten ze zien hoeveel bloed er door het hart en de grote lichaamsslagader stroomt. Die informatie is met een echo moeilijk te meten.

    Zwangere vrouwen volgen
    Annelies van der Hulst: ”We gaan daarom ongeveer 320 zwangere vrouwen volgen met een foetus waarbij artsen op de echo een hartafwijking hebben gezien. Een deel van de vrouwen met een onduidelijke uitslag krijgt een MRI, die specialisten beoordelen.” Voor de baby’s met een kleinere linkerhartkamer wordt een score gemaakt. Die moet helpen om te voorspellen welke zorg na de geboorte nodig is.

    Beter voorbereid op de geboorte
    Meer duidelijkheid helpt ouders en zorgverleners om de bevalling en de zorg na de geboorte goed te plannen. Ook kunnen artsen beter inschatten of een kind in een academisch ziekenhuis geboren moet worden. Dit kan uiteindelijk onnodige opnames en onderzoeken voorkomen. Dat scheelt natuurlijk ook kosten en het vermindert stress voor de ouders en de baby.

Jentien Vermeulen

Mensen met een psychose hebben een verhoogd risico op hart- en vaatziekten, maar deze veelal jonge mensen komen vaak te laat in beeld. Psychiater dr. Jentien Vermeulen (Amsterdam UMC) onderzoekt wie extra risico loopt. 

Onderzoeker Amsterdam UMC Jentien Vermeulen
  • Hart- en vaatziekten eerder bestrijden bij mensen met psychoses

    Lees hier meer over het onderzoek van dr. Jentien Vermeulen

    Mensen met ernstige psychische problemen krijgen vaker hart- en vaatziekten. Bij mensen met een psychose is dit risico nog groter, omdat hun lichaam sneller veroudert. Mensen met een psychose hebben bijzondere ervaringen. Ze horen bijvoorbeeld stemmen of hebben bepaalde overtuigingen, die andere mensen niet horen of hebben. Vaak voelt dit vreemd voor mensen met een psychose of het maakt ze angstig. Medicijnen tegen psychose kunnen het risico op hart- en vaatziekten nog verder verhogen. Deze  leiden namelijk bij sommige mensen tot een hoger gewicht of meer suiker of cholesterol in het bloed. Mensen met een psychose leven gemiddeld 15 jaar korter dan andere mensen.

    Een risico dat te laat wordt gezien
    Hart- en vaatproblemen ontstaan vaak in het latere leven. Maar risicofactoren voor deze ziektes zijn bij mensen met een psychose al tientallen jaren aanwezig. Denk aan roken, weinig bewegen, overgewicht of veel suiker en cholesterol in het bloed. Bestaande voorspelmodellen voor hart- en vaatziekten werken niet goed bij jongere mensen. Mensen die een psychose krijgen zijn vaak jong. Daardoor wordt hun risico te laag ingeschat en komen maatregelen om hart- en vaatziekten te voorkomen te laat.

    Wie loopt extra risico?
    “Ik wil achterhalen welke mensen extra kwetsbaar zijn voor hart- en vaatziekten en meer behandeling en controle nodig hebben”, vertelt Jentien Vermeulen. “Daarvoor bestuderen we allerlei gegevens van mensen in Nederland die medicijnen tegen psychoses gebruiken.” Ook onderzoekt Jentien een internationaal rekenhulpmiddel om het risico op onder meer gewichtstoename en suikerziekte in te schatten bij mensen met een psychose. Dit rekenhulpmiddel gebruikt gegevens die meestal al bekend zijn in de zorg. Bijvoorbeeld iemands leeftijd, medicijngebruik en ziekten die in de familie voorkomen.

    Meer gezonde levensjaren
    Jentien gaat kijken hoe zorgverleners het hulpmiddel kunnen gebruiken. En ze kijkt hoe zorgverleners deze patiënten beter kunnen helpen bij een gezonde leefstijl en medicijngebruik. Jentien Vermeulen: “Uiteindelijk leidt het onderzoek hopelijk tot meer gezonde levensjaren en een betere zorg voor mensen die nu nog te vaak buiten de boot vallen.”

Tijn Heeringa

Nieuwe medicijnen kunnen ervoor zorgen dat patiënten met een verdikte hartspier een complexe openhartoperatie niet meer nodig hebben. Goed nieuws, maar daardoor wordt die operatie ook zeldzamer. Arts-onderzoeker dr. Tijn Heeringa (Amsterdam UMC) onderzoekt hoeveel ervaring ziekenhuizen en chirurgen nodig hebben om deze ingreep veilig en toekomstbestendig te blijven uitvoeren.

Foto: Bruno van der Kraan

Onderzoeker Tijn Heeringa Amsterdam UMC
  • Hoe houden we een zeldzame hartoperatie veilig?

    Lees hier meer over het onderzoek van dr. Tijn Heeringa

    Benauwdheid, pijn op de borst, duizeligheid en zelfs flauwvallen. Dat kunnen klachten zijn als het hart bloed minder goed weg kan pompen. Bij sommige mensen komt dit door een erfelijke ziekte die de hartspier dikker maakt. Daardoor wordt de doorgang naar de grote lichaamsslagader smaller en moet het hart harder werken.

    Als medicijnen niet genoeg helpen, kan een openhartoperatie nodig zijn. Daarbij haalt de chirurg een stukje van de verdikte hartspier weg, zodat het bloed weer beter kan doorstromen. Deze operatie heet een chirurgische myectomie. Het is een complexe ingreep.

    Complexe operaties
    Sinds kort zijn er nieuwe medicijnen die de vernauwing in het hart bij een deel van de patiënten kunnen verminderen. Daardoor is een operatie soms niet meer nodig. Dat is goed nieuws. Maar het roept ook een nieuwe vraag op: hoe houden we een complexe operatie veilig als die steeds minder vaak nodig is?

    Dat wil arts-onderzoeker dr. Tijn Heeringa uitzoeken. Met landelijke gegevens van de Nederlandse Hart Registratie onderzoekt hij of het aantal operaties per ziekenhuis invloed heeft op hoe veilig de operatie verloopt en hoe het daarna met patiënten gaat.

    Veilige en zorgvuldige zorg
    "Voor patiënten is het prachtig als een operatie niet meer nodig is", zegt Heeringa. "Maar voor de kleinere groep die wél geopereerd moet worden, moeten we goed nadenken waar deze operatie het beste kan worden uitgevoerd."
    Ook onderzoekt Heeringa waarom vrouwen na deze operatie mogelijk meer risico hebben op complicaties dan mannen.

    De resultaten van dit onderzoek kunnen bijdragen aan meer kennis over de kwaliteit en organisatie van complexe hartzorg in Nederland. Mogelijk zijn de inzichten ook relevant bij andere complexe hartoperaties die steeds minder vaak worden uitgevoerd. Daarom werken Heeringa en zijn team samen met patiëntenorganisaties, cardiologen, hartchirurgen, onderzoekers en betrokken specialisten uit alle ziekenhuizen. 

    "Uiteindelijk wil ik dat patiënten die deze operatie nodig hebben met vertrouwen vooruit kunnen kijken", zegt Heeringa. "Ook als deze operatie in de toekomst nog minder vaak wordt uitgevoerd, moeten zij erop kunnen vertrouwen dat de zorg overal in Nederland veilig en zorgvuldig is georganiseerd."

Job Verdonschot

Klinisch geneticus dr. Job Verdonschot (Maastricht UMC+) wil beter voorspellen welke mensen met een genetische verandering daadwerkelijk een verhoogd risico hebben om de erfelijke hartspierziekte DCM te krijgen. 

 

Onderzoeker Job Verdonschot Maatstricht UMC+
  • Meer zekerheid voor families met een erfelijke hartspierziekte

    Lees hier meer over het onderzoek van dr. Job Verdonschot

    Ongeveer 40.000 mensen in Nederland hebben de hartspierziekte DCM (dilaterende cardiomyopathie). Bij deze ziekte raakt het hart verwijd, waardoor het te weinig kracht heeft om goed te pompen. Mensen kunnen daardoor ernstige hartproblemen krijgen zoals hartfalen, hartritmestoornissen en een hartstilstand. Ongeveer 40% van de patiënten met een DCM heeft een verandering in het DNA als de oorzaak van de ziekte.

    Risico te hoog of te laag ingeschat
    Artsen schatten het risico nu vooral in door naar een klein stukje DNA, een gen, te kijken waar een verandering in zit. Sommige genen gelden als hoog risico en andere als laag risico. Job Verdonschot: “Maar verschillende veranderingen in hetzelfde gen kunnen toch sterk verschillende gevolgen hebben. De ene verandering kan veel gevaarlijker zijn dan de andere. Kennis die artsen op dit moment nog niet gebruiken.” Hierdoor wordt het risico bij sommigen mogelijk te laag ingeschat. Terwijl andere mensen mogelijk juist onnodige controles en/of behandelingen krijgen.

    Drie genen nauwkeurig onderzoeken
    Job Verdonschot gaat de veranderingen in drie genen (LMNA, FLNC en TTN) precies onderzoeken. Hij zoekt in genen met een hoog risico (LMNA en FLNC) naar veranderingen met een lager risico. In een laag risico gen (TTN) zoekt hij naar veranderingen die juist gevaarlijker kunnen zijn dan gedacht. Hij gebruikt gegevens van grote groepen mensen en families met dezelfde erfelijke aanleg. Hij onderzoekt hoe vaak hartstilstanden, hartritmestoornissen en hartspierziekten bij hen voorkomen.

    Zorg die beter bij iemand past
    “Met onze resultaten willen we hulpmiddelen maken waarmee artsen het persoonlijke risico beter kunnen berekenen. Ook willen we bepalen hoe vaak gezonde familieleden controles nodig hebben en wanneer embryoselectie zinvol is”, legt Job Verdonschot uit. Daarmee kunnen wensouders voorkomen dat hun kind een zeer ernstige DNA-verandering krijgt. Job hoopt met zijn onderzoek de zorg beter op de persoon af te kunnen stemmen, de ziektelast te verminderen, en de onzekerheid bij patiënt en arts te verlagen.
     

Martijn Hoes

Familieleden van patiënten met een hartspierziekte kunnen een DNA-test laten uitvoeren om te achterhalen of zij ook risico lopen. Biomedisch onderzoeker dr. Martijn Hoes (Maastricht UMC+) ontwikkelt een nieuwe methode om het risico op een hartspierziekte beter te bepalen. Zo kunnen artsen sneller duidelijkheid geven en de zorg op de persoon afstemmen.

Onderzoeker Martijn Hoes Maastricht UMC
  • Meer duidelijkheid over het risico op een erfelijke hartspierziekte voor families

    Lees hier meer over het onderzoek van dr. Martijn Hoes

    Familieleden van patiënten met een hartspierziekte kunnen een DNA-test laten uitvoeren om te achterhalen of zij ook risico lopen. Vaak vinden artsen veel voorkomende verschillen in het DNA, waarvan niet duidelijk is of die echt gevaarlijk zijn. Biomedisch onderzoeker dr. Martijn Hoes ontwikkelt een nieuwe methode om het risico op een hartspierziekte beter te bepalen. Zo kunnen artsen sneller duidelijkheid geven en de zorg op de persoon afstemmen.

    Erfelijke hartspierziekten kunnen leiden tot ernstige hartproblemen zoals hartfalen en een hartstilstand, ook op jonge leeftijd. Omdat de aanleg erfelijk is, lopen familieleden ook risico. Een DNA-test kan uitwijzen of iemand ook echt risico loopt. Of en wanneer iemand ziek wordt, hangt af van foutjes in het DNA, maar ook van verschillen in het DNA die veel voorkomen.

    Een onzekere uitslag geeft zorgen
    Heel vaak vinden artsen bij een DNA-test zo’n verschil in het DNA waarvan artsen de betekenis niet kennen. Het is dan onduidelijk of dat verschil de hartziekte veroorzaakt of onschuldig is. Zonder duidelijke oorzaak kunnen artsen familieleden niet gericht testen. Daardoor blijft onzeker wie extra controle nodig heeft en wie niet. Dit kan voor veel spanning en onzekerheid zorgen in families.

    Veel verschillen tegelijk testen
    Wanneer een DNA-test een onduidelijke uitslag geeft, kan in het laboratorium worden onderzocht of een gevonden verschil daadwerkelijk schadelijk is. Dat gaat nu erg traag: per onderzoek kunnen maar enkele verschillen worden getest. "Daarom ontwikkel ik een methode waarmee we 80 tot 100 verschillen tegelijk kunnen onderzoeken”, legt Martijn Hoes uit. “We brengen die verschillen aan in hartspiercellen die we in het laboratorium uit stamcellen maken. Elk verschil krijgt een eigen label, zodat we precies kunnen volgen wat er in elke cel gebeurt.”

    Zien wanneer het misgaat
    Martijn Hoes gaat bekijken hoe de cellen zich ontwikkelen en reageren op belastende omstandigheden. Zo wil hij ontdekken welke verschillen in het DNA de hartspier ziek kunnen maken, en wanneer dat gebeurt. De uitkomsten vergelijkt hij met gegevens van patiënten en hartweefsel van meer dan 400 patiënten uit het Maastrichtse register van hartspierziekten. Zo kan hij toetsen of de ontdekkingen in het laboratorium overeenkomen met dat wat er echt in het zieke hart gebeurt.

    Meer zekerheid voor families
    Blijkt een verschil in het DNA schadelijk, dan kunnen familieleden met een verhoogd risico eerder worden opgespoord en beter worden gecontroleerd. Blijkt een verschil onschuldig, dan kunnen artsen mensen geruststellen. Dit onderzoek kan uiteindelijk zorgen voor verbeterde DNA-uitslagen en meer zorg op maat voor mensen met een erfelijke hartspierziekte en hun families. 

Claudia Schönichen

Wat hebben bloedplaatjes in het beenmerg te maken met hartfalen? Moleculair bioloog dr. Claudia Schönichen (Maastricht UMC+) onderzoekt of bij hartfalen door een stijve hartspier al in het beenmerg schadelijke bloedplaatjes ontstaan. Die kunnen ontstekingen in de kleinste bloedvaten van het hart aanjagen. 

Onderzoeker Claudia Schonichen Maastricht UMC+
  • De verborgen rol van bloedplaatjes bij hartfalen

    Lees hier meer over het onderzoek van dr. Claudia Schönichen

    Bloedplaatjes kennen we vooral van wondjes. Ze zorgen ervoor dat bloed kan stollen, zodat een bloeding stopt. Maar bloedplaatjes doen veel meer. Ze kunnen ook ontstekingen in bloedvaten aanjagen. Moleculair bioloog dr. Claudia Schönichen onderzoekt of juist die verborgen rol belangrijk is bij een veelvoorkomende vorm van hartfalen.

    Welke ziekteprocessen?
    Het gaat om hartfalen door een stijve hartspier, ook wel HFpEF genoemd. Bij ongeveer de helft van alle mensen met hartfalen gaat het om deze vorm. Bij hartfalen door een stijve hartspier kan het hart zich minder goed vullen met bloed. Het hart knijpt nog wel krachtig samen, maar per hartslag komt er toch minder bloed in het lichaam. Voor deze vorm van hartfalen bestaan nog weinig goede behandelingen, omdat nog niet goed duidelijk is welke ziekteprocessen erachter zitten.

    Schadelijke bloedplaatjes
    "Bij hartfalen denken we vaak als eerste aan de hartspier zelf", zegt Schönichen. "Maar ik wil kijken naar de kleinste bloedvaten in het hart. Die lijken bij deze patiënten minder goed te werken. De vraag is: wat veroorzaakt dat?"
    Schönichen vermoedt dat bloedplaatjes daarbij een belangrijke rol spelen. Niet doordat ze bloedpropjes vormen, maar doordat ze ontsteking in de vaatwand versterken. Dat kan de werking van de kleine bloedvaten verder verstoren.
    "Wat dit extra interessant maakt, is dat bloedplaatjes voortdurend nieuw worden gemaakt in het beenmerg", zegt Schönichen. "Ik wil weten of ontsteking en veranderingen in de stofwisseling bij hartfalen ervoor zorgen dat er al tijdens dat maakproces schadelijke bloedplaatjes ontstaan."
     

    Klachten verlichten én ziekte aanpakken
    De cellen in het beenmerg die bloedplaatjes maken, heten megakaryocyten. Schönichen onderzoekt of deze cellen bij patiënten met hartfalen door een stijve hartspier anders werken dan normaal. Ook bestudeert zij welke eigenschappen de bloedplaatjes hebben die daaruit ontstaan. Zo wil zij beter begrijpen hoe een ziekteproces in het beenmerg kan bijdragen aan ontsteking en schade in de kleinste bloedvaten van het hart.

    "Dit onderzoek staat nog aan het begin van de weg naar nieuwe behandelingen", zegt Schönichen. "Maar als we begrijpen waar schadelijke bloedplaatjes vandaan komen, vinden we mogelijk nieuwe aangrijpingspunten voor behandelingen die niet alleen klachten verlichten, maar ook het ziekteproces zelf aanpakken."

     

Veronique Meijborg

Door een tekort aan donorharten moeten mensen met ernstig hartfalen vaak lang wachten op een harttransplantatie. Dr. Veronique Meijborg (UMC Utrecht) onderzoekt of de elektrische signalen van het hart kunnen helpen om de kwaliteit van een donorhart te beoordelen. En ze kijkt of je de werking van het donorhart kunt verbeteren met elektrische prikkels

Onderzoeker Veronique Meijborg UMC Utrecht
  • Donorharten beter beoordelen en stimuleren voor meer succesvolle harttransplantaties

    Lees hier meer over het onderzoek van dr. Veronique Meijborg

    Ernstig hartfalen is levensbedreigend. Voor sommige patiënten is een harttransplantatie de enige levensreddende behandeling. Er zijn echter te weinig donorharten beschikbaar. De gemiddelde wachttijd op een donorhart is 2,6 jaar. In die periode overlijdt 26% van de mensen op de wachtlijst, of zij worden te ziek voor een transplantatie.

    Een hart dat buiten het lichaam blijft kloppen
    Met een speciale machine kan een donorhart buiten het lichaam blijven kloppen. Het hart blijft dan op temperatuur en krijgt zuurstof en voedingsstoffen. Dat zorgt voor tijdswinst en voor de mogelijkheid om het hart goed te houden of misschien zelfs te verbeteren. Op dit moment is het alleen niet altijd goed mogelijk om de kwaliteit van het donorhart te beoordelen.

    Kwaliteit van het donorhart beoordelen
    “Ik wil de elektrische signalen van het donorhart gebruiken om de kwaliteit van het donorhart te beoordelen”, licht Veronique toe. “Deze signalen sturen het pompen van het hart aan. Ze zijn eenvoudig te meten met een hartfilmpje. Ze worden nu alleen nog niet gebruikt om te beoordelen hoe goed de kwaliteit van een donorhart is.”

    Elektrisch prikkelen
    Veronique Meijborg gaat onderzoeken welke elektrische signalen iets zeggen over hoe goed het donorhart pompt na de harttransplantatie. Daarvoor houdt ze de getransplanteerde harten tot twaalf maanden in de gaten. Ook test ze verschillende manieren om het hart elektrisch te prikkelen en onderzoekt ze of het hart daardoor beter klopt. Ze gaat dit onder andere ook testen op donorharten die niet voor transplantatie zijn gebruikt.

    Meer geschikte donorharten
    Dit onderzoek kan artsen op termijn meer zekerheid geven over de kwaliteit van een donorhart. Mogelijk kunnen daardoor meer donorharten veilig worden gebruikt en beter worden bewaard. Dat kan de wachttijd verkorten en problemen na de transplantatie verminderen.
     

Jord Vink

Na een beroerte leren patiënten nu vooral omgaan met cognitieve problemen, zoals problemen met geheugen en aandacht. Technisch geneeskundige dr. Jord Vink (UMC Utrecht) onderzoekt of gepersonaliseerde magnetische hersenstimulatie kan helpen deze functies te herstellen. Dat zou een nieuwe stap betekenen van omgaan met beperkingen naar daadwerkelijk herstel.

Foto: Elizabeth Wattimena

Onderzoeker Jord Vink Umc Utrecht
  • Kan een magneet hersenfuncties herstellen na een beroerte?

    Lees hier meer over onderzoek van dr. Jord Vink

    Voor veel mensen houdt een beroerte niet op wanneer ze het ziekenhuis verlaten. Problemen met het geheugen, planning of het verwerken van informatie kunnen nog jarenlang invloed hebben op het dagelijks leven. Werken wordt moeilijker, zelfstandig wonen minder vanzelfsprekend en sociale situaties kunnen veel energie kosten. Maar liefst driekwart van de mensen die een beroerte krijgt, houdt dit soort blijvende cognitieve problemen.

    Herstel beschadigde hersenfuncties
    Toch is de behandeling na een beroerte daar nog maar beperkt op gericht. Revalidatie helpt mensen vooral om met hun beperkingen om te gaan. Technisch geneeskundige dr. Jord Vink wil onderzoeken of er meer mogelijk is. Kunnen beschadigde hersenfuncties ook echt herstellen?

    "Juist in de eerste periode na een beroerte beschikken de hersenen over een bijzonder vermogen om zich aan te passen", zegt Vink. "Soms kunnen andere hersengebieden taken deels overnemen van gebieden die beschadigd zijn geraakt. Ik wil onderzoeken of we dat proces actief kunnen versterken."

    Magnetische pulsen
    Daarvoor richt hij zich op een veelbelovende techniek: magnetische hersenstimulatie. Met een krachtige magneet worden heel gericht korte magnetische pulsen afgegeven aan specifieke hersengebieden. Die pulsen kunnen de activiteit van hersencellen beïnvloeden en zo mogelijk bijdragen aan het herstel van functies die door de beroerte zijn aangetast.

    Blijvende verbeteringen
    Wat dit onderzoek bijzonder maakt, is dat de behandeling volledig wordt afgestemd op de individuele patiënt. Met behulp van hersenscans brengt Vink eerst per patiënt in kaart welke hersengebieden betrokken zijn bij de cognitieve functies. Vervolgens onderzoekt hij welke vorm van stimulatie bij die patiënt het meest kansrijk is. Sommige hersengebieden hebben mogelijk een duwtje in de rug nodig, terwijl andere juist afgeremd moeten worden.
    In een eerste studie onderzoekt Vink of deze gepersonaliseerde behandeling leidt tot merkbare en blijvende verbeteringen van cognitieve functies.

    "Op dit moment leren we mensen vooral omgaan met de gevolgen van een beroerte. Als we cognitieve functies kunnen herstellen door de hersenen te helpen zich aan te passen, kan dat een wereld van verschil maken voor hun zelfstandigheid en kwaliteit van leven."

Michiel Poorthuis

Ontsteking in de buurt van slagaderverkalking kan het risico op een nieuw herseninfarct verhogen. Neuroloog in opleiding dr. Michiel Poorthuis (UMC Utrecht) onderzoekt of artsen die ontsteking beter kunnen herkennen op een CT-scan. Zo wil hij bepalen welke patiënten mogelijk baat hebben bij gerichte ontstekingsremmende behandeling.

Onderzoeker Michiel Poorthuis UMC Utrecht
  • Ontsteking opsporen om een nieuw herseninfarct te voorkomen

    Lees hier meer over het onderzoek van dr. Michiel Poorthuis

    Een beroerte kan iemands leven in één klap veranderen. Het is een belangrijke oorzaak van blijvende invaliditeit en één van de belangrijkste doodsoorzaken in Nederland. Vaak gaat het bij een beroerte om een herseninfarct: een bloedvat in de hersenen raakt dan afgesloten. Juist daarna is één vraag heel belangrijk: hoe voorkomen we dat het opnieuw gebeurt?

    Een herseninfarct kan verschillende oorzaken hebben. Soms ontstaat het bloedstolsel in het hart, bijvoorbeeld door boezemfibrilleren. Soms ontstaat het door slagaderverkalking in de halsslagader.

    Voorkomen nieuwe herseninfarcten
    Daarbij hopen vetten, afvalstoffen en cellen zich op in de vaatwand, waardoor een verdikking ontstaat. Ontsteking kan die verdikking instabieler maken, die daardoor makkelijker scheurt. Het bloedstolsel dat daarbij ontstaat kan losschieten en een bloedvat dat de hersenen van bloed voorziet afsluiten.

    Neuroloog in opleiding dr. Michiel Poorthuis wil die ontsteking gerichter opsporen. "Ontsteking remmen kan een belangrijke stap worden in het voorkomen van nieuwe herseninfarcten", zegt Poorthuis. "Maar dan moeten we eerst beter herkennen bij welke patiënten ontsteking het risico echt verhoogt."

    Wat vertelt vet rondom de halsslagader?
    Nu meten artsen ontsteking vaak met een bloedtest. Die laat zien of er ergens in het lichaam ontsteking is, maar niet of die ontsteking door de slagaderverkalking in de halsslagader komt. Poorthuis onderzoekt daarom een andere aanwijzing: het vet rondom de halsslagader. Als daar veranderingen zichtbaar zijn op een CT-scan, kan dat wijzen op ontsteking in de slagaderverkalking.

    De grote vraag is: vertelt het vet rondom de halsslagader echt iets over ontsteking in de slagaderverkalking? Om dat te testen vergelijkt Poorthuis CT-scans met slagaderverkalking die bij patiënten is weggehaald en onder de microscoop wordt onderzocht. Daarna kijkt hij of die kennis helpt om patiënten met een hoog risico op een nieuw herseninfarct te herkennen. Ook onderzoekt hij of juist patiënten met veel ontsteking op de scan baat hebben bij een ontstekingsremmer zoals colchicine.

    "Mijn doel is dat we patiënten met een hoog ontstekingsrisico beter herkennen", zegt Poorthuis. "Dan kunnen we de behandeling beter afstemmen op wat er bij die patiënt speelt, en hopelijk voorkomen dat iemand opnieuw een herseninfarct krijgt."

Laura Bosmans

Slagaderverkalking is niet alleen een probleem van cholesterol. Ook het afweersysteem speelt een belangrijke rol. Immunologisch wetenschapper dr. Laura Bosmans (Universiteit Leiden, LACDR) onderzoekt hoe dendritische cellen ontstekingen in de vaatwand aanjagen. Haar onderzoek kan nieuwe aanknopingspunten opleveren voor behandelingen die ontstekingen gerichter afremmen.

Onderzoeker Laura Bosmans Universiteit Leiden
  • Welke afweercellen maken slagaderverkalking gevaarlijk?

    Lees hier meer over het onderzoek van dr. Laura Bosmans

    Bij slagaderverkalking hopen vetten, afvalstoffen en afweercellen zich geleidelijk op in de vaatwand. Daardoor ontstaan verdikkingen, ook wel plaques genoemd. Vaak blijven die jarenlang onopgemerkt. Maar als een plaque scheurt of beschadigd raakt, kan er een bloedprop ontstaan die een bloedvat afsluit. Dat kan een levensgevaarlijk hart- of herseninfarct veroorzaken.

    Regisseurs
    Slagaderverkalking wordt vaak gezien als een probleem van cholesterol. Maar dat is maar een deel van het verhaal. Immunologisch wetenschapper dr. Laura Bosmans gaat onderzoeken welke rol ons afweersysteem speelt in de verergering van slagaderverkalking.

    "Ons afweersysteem probeert vetten en afvalstoffen in de vaatwand op te ruimen, maar na verloop van tijd lukt dat steeds minder goed”, zegt Bosmans. "Afweercellen die niet goed worden opgeruimd, veroorzaken zo juist een ontsteking die de plaque gevaarlijker maakt. Ik wil begrijpen hoe dat precies gebeurt en hoe we dat tegen kunnen gaan."

    Een van de hoofdrolspelers zijn dendritische cellen. Deze afweercellen bepalen of andere afweercellen in actie komen. Ze werken als een soort regisseurs van de afweerreactie. Onderzoekers weten dat dendritische cellen aanwezig zijn in slagaderverkalking, maar nog niet welke soorten er precies zijn en welke rol zij spelen bij het gevaarlijker worden van plaques.

    Schadelijke processen afremmen
    Dat is belangrijke kennis, zegt Bosmans: “Cholesterolverlagende medicijnen verminderen het risico op hart- en vaatziekten aanzienlijk, maar bij veel patiënten blijft een schadelijke ontsteking aanwezig. Daardoor blijft ook het risico op een hartaanval of beroerte verhoogd.”

    In dit onderzoek brengt Bosmans daarom eerst in kaart welke soorten dendritische cellen voorkomen in vergevorderde slagaderverkalking. Vervolgens onderzoekt zij welke van deze cellen ontstekingen aanjagen en hoe zij communiceren met andere afweercellen. Tot slot gaat zij op zoek naar manieren om juist deze schadelijke processen af te remmen.

    Het onderzoek kan nieuwe aanknopingspunten opleveren voor behandelingen die veel gerichter ingrijpen op ontstekingen in de vaatwand. "Als we beter begrijpen welke afweercellen de ontsteking in kwetsbare plaques aansturen, kunnen we mogelijk veel preciezer ingrijpen. Daarmee hopen we uiteindelijk hartaanvallen en beroertes vaker te voorkomen."

Gijs van Steenbergen

Kun je vóór de eerste ablatie al zien welke patiënt later opnieuw behandeld moet worden? Cardioloog in opleiding dr. Gijs van Steenbergen (Catharina Ziekenhuis) onderzoekt gegevens van ruim 7.000 patiënten met boezemfibrilleren. Zo werkt hij aan een risicoscore die helpt om vanaf het begin de best passende behandeling te kiezen.

Onderzoeker Gijs van Steenbergen Catherina Ziekenhuis
  • Geen standaardbehandeling voor een onregelmatig hart

    Lees hier meer over het onderzoek van dr. Gijs van Steenbergen

    De ene patiënt is na één behandeling jarenlang van boezemfibrilleren af. De ander moet terug naar het ziekenhuis voor een tweede, uitgebreidere ingreep. Kun je vooraf al zien wie welke behandeling nodig heeft? Cardioloog in opleiding dr. Gijs van Steenbergen wil dat vooraf beter kunnen voorspellen.

    Kleine stukjes hartweefsel uitschakelen
    Boezemfibrilleren is de meest voorkomende hartritmestoornis. Het hart klopt dan onregelmatig en vaak te snel. Dat kan klachten geven zoals hartkloppingen, kortademigheid en vermoeidheid. Ook verhoogt boezemfibrilleren de kans op ernstige problemen, zoals een beroerte of hartfalen.

    Een belangrijke behandeling is ablatie. Daarbij brengt de cardioloog via de lies een dun slangetje naar het hart. Daar schakelt hij kleine stukjes hartweefsel uit die het ritme verstoren. Vaak werkt dat goed. Maar bij minstens 1 op de 5 patiënten komt boezemfibrilleren terug.

    "Als arts wil ik patiënten vanaf het begin een behandeling bieden die zo goed mogelijk bij hen past", zegt Van Steenbergen. "Daarvoor moeten we vóór de eerste ablatie kunnen voorspellen wie genoeg heeft aan de standaardbehandeling en wie direct meer nodig heeft."

    Best passende behandeling
    Om dit uit te zoeken gebruikt Van Steenbergen gegevens van ruim 7.000 patiënten die eerder een ablatie kregen, zoals medische voorgeschiedenis, hartfilmpjes, echo’s van het hart, kwaliteit van leven en zorggebruik. Daarmee wil hij een risicoscore ontwikkelen die artsen in de spreekkamer kunnen gebruiken. Die score moet helpen om per patiënt de best passende behandeling te kiezen.

    Het doel is dus niet om iedereen meteen intensiever te behandelen, maar om vanaf het begin beter onderscheid te maken tussen patiënten. "Ik hoop dat we patiënten straks vanaf het begin gerichter kunnen behandelen", zegt Van Steenbergen. "Dan hoeven zij minder vaak terug naar het ziekenhuis en kunnen ze sneller verder met hun gewone leven, met minder angst dat de ritmestoornis terugkomt." 

Mina Jacob

Een herseninfarct ontstaat door een bloedpropje in de hersenen. Maar waar kwam dat propje vandaan? En hoe voorkom je een nieuw infarct? Bij veel patiënten blijven die vragen onbeantwoord. Neuroloog in opleiding dr. Mina Jacob (Radboudumc) onderzoekt wat het bloedstolsel zelf kan vertellen over de oorzaak, zodat patiënten gerichter behandeld kunnen worden.

 

Onderzoeker Mina Jacob Radboudumc
  • Wat vertelt een bloedpropje over de oorzaak van een herseninfarct?

    Lees hier meer over het onderzoek van dr. Mina Jacob

    Ongeveer 1 op de 4 mensen krijgt ooit een herseninfarct. Daarbij sluit een bloedstolsel een bloedvat in de hersenen af, waardoor een deel van de hersenen geen zuurstof meer krijgt. Snelle behandeling is cruciaal om blijvende invaliditeit of zelfs overlijden te voorkomen.

    Onzekerheid na herseninfarct
    Na een herseninfarct blijft vaak één grote vraag over: waar kwam het bloedpropje vandaan? Voor patiënten geeft dat belangrijke informatie voor de toekomst. Want als artsen de oorzaak kennen, kunnen zij beter bepalen welke behandeling nodig is om een nieuw herseninfarct te voorkomen.

    Toch blijft bij ongeveer 30 procent van de patiënten de oorzaak onbekend, ook na uitgebreid onderzoek. Dat zorgt voor onzekerheid. Krijg ik nog een herseninfarct? En krijg ik nu wel de juiste behandeling?
    Neuroloog in opleiding dr. Mina Jacob van het Radboudumc wil die onzekerheid verkleinen door het bloedstolsel zelf veel beter te onderzoeken, met verschillende nieuwe technieken.

    Bloedstolsel geeft belangrijke informatie
    Bij sommige patiënten kan het stolsel tijdens de behandeling worden verwijderd. Dat biedt een unieke kans om het propje zelf tot in detail te onderzoeken. Jacob onderzoekt daarom de kleinste kenmerken van verwijderde bloedstolsels. "Een bloedstolsel kan ons veel vertellen", zegt Jacob. "De cellen in zo’n stolsel geven aanwijzingen over waar in het lichaam het stolsel is ontstaan. Komt het uit het hart, uit een slagader, een ader, of ergens anders vandaan? Daar wil ik achter komen."

    Die informatie is belangrijk, omdat de behandeling afhangt van waar het stolsel vandaan komt. Bij een hartritmestoornis kan een andere bloedverdunner nodig zijn dan bij slagaderverkalking in een bloedvat. De informatie kan ook helpen om onnodige behandelingen te voorkomen, bijvoorbeeld aan het hart.

    Verschillen man en vrouw
    Daarnaast wil hij zoveel mogelijk informatie uit een gewone CT-scan halen om aanwijzingen te vinden over de oorzaak van het stolsel. Vrijwel iedere patiënt krijgt zo’n CT-scan bij aankomst in het ziekenhuis.
    Ook kijkt Jacob naar verschillen tussen mannen en vrouwen. Bij vrouwen en jonge mensen blijft de oorzaak van een herseninfarct namelijk vaker onbekend. "Mijn doel is dat uiteindelijk elke patiënt weet waardoor het herseninfarct is ontstaan", zegt Jacob. "Met die kennis kunnen artsen de behandeling beter afstemmen en hopelijk een nieuw herseninfarct voorkomen."