> Naar content trash arrow-down-light menu paper stack mail-bordered instagram linkedin youtube minus arrow-right heart-border share heart facebook twitter arrow-down stethoscope heartbeat link timer food smoke close briefcase plus question-mark mail sheet external scale search info whatsapp check aed 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 mannen niuews nieuwsbrief onderzoek overgewicht reanimeren recepten roken samenwerken phone sphere location

Hier komen de NAW-gegevens formulieren

Je kunt alles in de Gids bewaren om later terug te lezen, of om te delen. De gegevens die we verwerken tijdens je bezoek bevatten informatie over je gezondheid. Daarom hebben we toestemming nodig.

Meer over privacy en voorwaarden

    Door op bewaar te klikken geef je toestemming voor het gebruik van jouw gegevens voor de Gids. Als je de website verlaat, worden de gegevens verwijderd.

    Dotter- en stentbehandeling

    Wat is een dotter- en stentbehandeling?

    De kransslagaders zorgen voor de toevoer van bloed aan het hart. Door een vernauwing in de kransslagaders krijgt de hartspier niet genoeg zuurstof en voedingsstoffen. De dotter- en stentbehandeling heft de vernauwing op. Het is een veelvoorkomende behandeling, die meestal succesvol verloopt.

    Ballonnetje

    Met dotteren wordt de vernauwing in de kransslagader opgerekt met een soort ballonnetje. Daardoor kan er weer voldoende bloed doorheen stromen. Meestal wordt er ook een stent geplaatst. Een stent is een soort veertje, zoals die in een balpen, dat de vaatwand ondersteunt. De stent voorkomt dat het bloedvat weer terugveert na de behandeling. Andere namen voor de dotterbehandeling zijn ballondilatatie en percutane coronaire interventie (PCI).

    Wanneer dotteren?

    Een dotterbehandeling is nodig als een slagader door slagaderverkalking vernauwd is. Een dotterbehandeling wordt uitgevoerd bij:

    Dotteren is niet bij alle vernauwingen van de kransslagaders nodig. Bij lichte vernauwingen is behandeling met medicijnen voldoende. Pas als het bloedvat voor 50 tot 70% is afgesloten, is dotteren een mogelijkheid. Ook kan een bypassoperatie nodig zijn. De cardioloog kan onderzoeken hoe erg de bloedvaten vernauwd zijn. Dit kan met behulp van een FFR-meting.

    > Meer over bypassoperatie

    FFR-meting

    Niet elke vernauwing hoeft gedotterd te worden. Ook hoeft niet altijd een stent te worden geplaatst. Dat is alleen nodig wanneer er te weinig bloed door de vernauwing kan stromen. Met een FFR-meting onderzoekt de cardioloog hoe erg de bloedvaten vernauwd zijn. FFR staat voor Fractional Flow Reserve.

    De cardioloog brengt via een ader of slagader in de lies of arm een katheter naar het hart. Een katheter is een dun hol slangetje. Via deze katheter brengt de cardioloog een vloeistof in die de kransslagaders wijder maakt. Ook wordt een heel dunne draad met een meetinstrumentje door de katheter naar de kransslagaders gebracht. Tijdens het inbrengen van de vloeistof meet de cardioloog de bloedstroom voor en achter de vernauwing. Met behulp van de uitkomst kan worden bepaald welke behandeling het meest geschikt is: dotteren met of zonder stentplaatsing, een bypassoperatie of behandeling met medicijnen.

    Soms is een dotterbehandeling technisch niet mogelijk. Dit heeft te maken met de plaats en de vorm van de vernauwingen. Ook zijn kleine kransslagaders niet altijd toegankelijk voor de dotterballon.

    Cardioloog Dr. Haasdijk legt uit hoe een dotter- en stentbehandeling verloopt.

    Hoe werkt de behandeling?

    Voor de behandeling controleert de arts of alle medische gegevens compleet zijn. Ook onderzoekt de arts de conditie van de patiënt. Dat brengt soms extra onderzoek met zich mee. Alle patiënten die een dotterbehandeling ondergaan krijgen voor de behandeling antistollingsmedicijnen. Dit is om te voorkomen dat tijdens of na de ingreep stolsels in het bloed ontstaan.

    Hartkatheterisatiekamer

    Veel patiënten hebben voor de dotter- en stentbehandeling al een hartkatheterisatie gehad. Deze 2 ingrepen lijken erg op elkaar. Beide worden uitgevoerd op de hartkatheterisatiekamer. In de hartkatheterisatiekamer staat naast de behandeltafel een groot röntgenapparaat. Hiermee maakt de cardioloog tijdens de ingreep filmopnames van de kransslagaderen. Het röntgenapparaat draait om de patiënt heen. Zo kan de arts het hart vanuit verschillende posities onderzoeken. De röntgenapparatuur maakt geluid bij het filmen. Ook hangen er een aantal monitoren. Hierop kan de cardioloog het hartritme en de röntgenbeelden aflezen. Tijdens het filmen wordt ook het licht gedimd. Zo kan de arts de beelden op de monitor beter beoordelen. Na het filmen gaat het licht weer aan.

    Narcose niet nodig

    Bij een dotterbehandeling gaat de patiënt niet onder narcose. De arts verdooft alleen de plek waar de katheter ingebracht wordt. Dit kan een slagader in de lies, pols of plooi van de elleboog zijn. Bij het aanprikken wordt eerst een hol buisje geplaatst. Via dit holle buisje kan de cardioloog vervolgens meerdere katheters opschuiven naar het hart. Een van deze katheters heeft aan het uiteinde een ballonnetje. Deze katheter gaat naar de plek van de vernauwing. Daar wordt het ballonnetje een paar keer opgeblazen. Dit gebeurt net zolang totdat het bloedvat wijd genoeg is en niet meer terugveert. Vaak wordt er tegelijkertijd een stent geplaatst.

    Na de behandeling drukt de verpleegkundige het gaatje in het bloedvat goed dicht. Hij of zij brengt een drukverband aan of sluit het gaatje met een speciaal dopje.

    Wanneer een stent plaatsen?

    Een stent is een hol buisje van gaas. Je kunt het vergelijken met het veertje dat in een balpen zit. Dit veertje houdt de kransslagader van binnenuit open. Het is niet altijd nodig om bij een dotterbehandeling een stent te plaatsen. Redenen voor het plaatsen van een stent zijn:

    • het vermindert de kans op een nieuwe vernauwing op dezelfde plaats (restenose)
    • het drukt de binnenste laag van de kransslagader vast. Tijdens een dotterbehandeling wordt een ballon opgeblazen. Hierdoor kan de binnenste laag (intima) van de wand van de vernauwde kransslagader loslaten. Dit heet dissectie. Een dissectie kan de bloedstroom belemmeren. Dat kan niet meer gebeuren als er een stent tegenaan gedrukt is
    • het heft een herhaalde vernauwing of afsluiting van de kransslagader (restenose) op

    Een stent heeft ook een aantal nadelen:

    • de stent kan een zijtak van de kransslagader vernauwen of afsluiten
    • er is een kleine kans op het vormen van bloedstolsels. Een stent bestaat uit materiaal dat vreemd is voor het lichaam. Daar kunnen gemakkelijk bloedplaatjes aan hechten. Dit zet de stolling in gang. Een stolsel kan eventueel de kransslagader afsluiten, waardoor een hartinfarct kan ontstaan

    Soorten stents

    Een stent is een hulpmiddel om het bloedvat open te houden. Vaak zijn er meerdere stents nodig. Een stent die is geplaatst haalt een arts niet meer weg. Het komt voor dat een stent vernauwd is. Het is soms mogelijk een stent in een stent te plaatsen. Er zijn verschillende soorten stents:

    Metalen stents zonder medicijnen

    Bij een metalen stent is er een direct contact tussen het metaal van de stent en de vaatwand. Metalen stents worden ook Bare Metal Stents of BMS genoemd. Het contact tussen de stent en de vaatwand kan een ontsteking en littekenweefsel veroorzaken. Hierdoor kan een nieuwe vernauwing van het bloedvat ontstaan. Artsen noemen dit restenose. In het begin is het metaal nog niet bedekt door een nieuw laagje weefsel. Dan is het risico op het ontstaan van een stolsel in het bloed (trombose) verhoogd. Daarom krijgt de patiënt na het plaatsen van de stent bloedplaatjesremmers.

    Metalen stents met medicijnen

    Er zijn ook metalen stents met daarin een laagje medicijnen. Deze stents worden ook Drug-Eluting Stents of DES genoemd. Na het plaatsen van een stent komt het middel binnen enkele weken vrij. Dit gaat de ontstekingsreactie en de snelle vorming van cellen tegen. Hierdoor wordt het risico op een nieuwe vernauwing of afsluiting in het bloedvat kleiner. Soms is het technisch niet mogelijk deze stent te plaatsen. Dan kiest de arts voor een metalen stent zonder medicijnen.

    Oplosbare stents

    Er is ook een oplosbare stent, die binnen enkele jaren oplost. Oplosbare stents worden ook Bioresorbable Vascular Stents of BVS genoemd. Het idee is dat het bloedvat, nadat de stent is opgelost, weer buigzaam is. Dan kan het weer uitzetten en samenknijpen. Dit zou op termijn een beter resultaat geven dan de huidige stents. Uit onderzoek moet blijken of oplosbare stents op termijn beter zijn dan gewone stents.

    > Meer over oplosbare stents

    Nabehandeling met antistolling

    Na een dotter- en stentbehandeling zijn sterke bloedplaatjesremmers nodig. Die zijn nodig om de kans op afsluiting van een stent te voorkomen. Bekende voorbeelden zijn clopidogrel, prasugrel en ticagrelor. Een cardioloog geeft aan hoe lang dit nodig is. Na het stoppen van deze medicijnen is meestal wel levenslang acetylsalicylzuur nodig.

    > Meer over antistollingsmedicijnen

    Risico's en complicaties

    Meestal verloopt de ingreep zonder problemen. De patiënt kan een beetje druk op de borst voelen. Dit komt dan door het ballonnetje dat de kransslagader tijdelijk afsluit. Dit hoort bij de behandeling en duurt maar even. Meld dit wel altijd aan de arts of verpleging.

    Er is een kleine kans op complicaties, zoals:

    • een bloeduitstorting bij het prikgat
    • een afwijking van het hartritme
    • een overgevoeligheidsreactie op de contrastvloeistof
    • kramp van de kransslagader

    Ernstige complicaties komen bijna niet voor. Deze zijn:

    • de vorming van een bloedstolsel, dat kan leiden tot een hart- of een herseninfarct
    • overbelasting van de bloedsomloop en kortademigheid door de hoeveelheid contrastvloeistof
    • een inwendige bloeding door beschadiging van een bloedvat
    • (gedeeltelijke) afsluiting door scheur (dissectie)

    Vooral in het eerste half jaar is er een kans dat er opnieuw klachten optreden. Of dat het vat opnieuw dicht gaat zitten.

    Na een dotter- en stentbehandeling

    De technieken en materialen die bij een dotter- en stentbehandeling worden gebruikt, worden steeds veranderd en verbeterd. Hierdoor veranderen ook de voorschriften na de ingreep. De instructies en leefregels voor thuis verschillen daardoor. Volg altijd de instructies van het behandelend ziekenhuis.

    Gebruik medicijnen volgens voorschrift en neem voldoende rust. De eerste week na een dotterbehandeling kan een trekkerig gevoel in de hartstreek aanwezig zijn. Dit komt veel voor. De pijn komt ergens anders vandaan dan de pijn op de borst van voor de behandeling. De pijn gaat vanzelf over. Ook kan op de plek van het aanprikken van de slagader in de lies of pols een bloeduitstorting ontstaan. Deze kan nog enkele dagen tot weken zichtbaar en/of gezwollen zijn. Soms kan deze zelfs ‘afzakken’ richting knie of elleboog. Dit kan vervelend zijn, maar is niets om bezorgd over te zijn.

    Let op Raadpleeg bij twijfel over je gezondheid altijd de arts

    Een ingreep aan het hart kan een flinke impact hebben op het leven. De angst dat het lichaam iemand in de steek kan laten is normaal. Praat hierover met mensen in de omgeving of de huisarts. Hartrevalidatie is ook een goede manier om het vertrouwen in het lichaam terug te krijgen.

    > Meer over hartrevalidatie

    Downloads

    Vragen over dit onderwerp?

    Mail de Infolijn

    Bel 0900 3000 300 (maandag t/m vrijdag van 9.00 - 13.00 uur)

    Lees meer over dotteren

    Dotter- en stentbehandeling na een hartinfarct

    Dotter- en stentbehandeling na een hartinfarct

    Betere stents die niet dichtgroeien

    Betere stents die niet dichtgroeien