Hartfalen

Bij hartfalen is de pompfunctie van het hart verminderd. Er wordt dan niet genoeg bloed rondgepompt. Hartfalen is meestal een chronische aandoening.

Er zijn 2 vormen van hartfalen:

  1. Systolisch hartfalen: de hartspier trekt niet krachtig genoeg samen. Het hart pompt per hartslag veel minder bloed rond dan normaal.
  2. Diastolisch hartfalen: de hartspier ontspant zich niet goed genoeg en het hart vult zich minder goed met bloed. Er is minder bloed beschikbaar om rond te pompen.

In beide gevallen wordt er te weinig bloed rondgepompt. Systolisch hartfalen komt het meeste voor.

Meestal is bij hartfalen de linkerkant van het hart aangedaan. Het hart pompt dan te weinig bloed via de aorta het lichaam in. In dat geval hoopt het vocht zich op rond de longen. De patiënt krijgt last van kriebelhoest en kortademigheid.

Soms is het juist de rechterkant van het hart die minder goed pompt. Dan hoopt het vocht zich vooral op in de buik, benen en voeten.

Bij tijdelijk hartfalen kan er sprake zijn van een afwijking aan de hartklep, een ritmestoornis, vernauwingen van de kransslagaders of een acuut hartinfarct. Na effectieve behandeling van deze aandoeningen is het mogelijk dat hartfalen verdwijnt of in ernst afneemt. Hartfalen is echter meestal een chronische aandoening.

Oorzaken

Er zijn verschillende oorzaken voor hartfalen. De meest voorkomende oorzaken zijn:

Hartinfarct

Een hartinfarct kan hartfalen tot gevolg hebben, maar dit hoeft niet. Bij een hartinfarct sterft een deel van de hartspier af. Op die plaats vormt zich een litteken, dat niet samentrekt zoals de rest van de hartspier.  Hierdoor kan de pompfunctie van het hart verminderen. In hoeverre dit gebeurt, is afhankelijk van de zwaarte van het hartinfarct.

Door een hartinfarct kan de vorm van het hart op de lange termijn veranderen. Het litteken kan uitrekken, waardoor er een soort uitstulping ontstaat. Dit wordt aneurysma cordis genoemd. Aneurysma cordis komt eigenlijk alleen voor in de linkerkamer van het hart. Ook kan de hele wand van de hartkamer(s) uitrekken door verandering in de belasting van het hart. Dit heet dilateren. Beide situaties zijn nadelig voor de pompfunctie van het hart.

Hoge bloeddruk

Hartfalen kan het gevolg zijn van een langdurig hoge bloeddruk. Als het hart voortdurend tegen een hoge druk in moet pompen, zal het hart eerst meer spieren aanmaken om dit voor elkaar te krijgen. Op den duur wordt de verdikte hartspier stijver en minder soepel en neemt de pompkracht af.

Hartklepaandoening

Als de hartkleppen niet goed sluiten of vernauwd zijn, moet het hart harder werken. Dit is een extra belasting voor het hart.

Ritmestoornissen

Bij ritmestoornissen klopt het hart te snel, te langzaam of onregelmatig. Dit vraagt meer inspanning van het hart. Bij langdurige ritmestoornissen kan dit leiden tot verminderde pompkracht.

Hartspierziekten, zoals cardiomyopathie en myocarditis

Cardiomyopathie is een hartspierziekte waarbij de hartspier verdikt of verwijd is . De cellen hebben een abnormale bouw of zijn vervangen door vet- of bindweefsel. De pompkracht van het hart neemt hierdoor langzaam af.

Myocarditis is een acute ontsteking van de hartspier, meestal veroorzaakt door een virus. Als deze aandoening de hartspier ernstig heeft beschadigd, kan er hartfalen ontstaan.

Ontwikkeling van de klachten

Hartfalen ontwikkelt zich meestal langzaam. Het hart probeert eerst nog zelf te compenseren voor de verminderde pompfunctie. Het gaat bijvoorbeeld harder werken en maakt extra spieren aan. Zo kan het hart toch een tijd voldoende bloed rondpompen. Op een gegeven moment is het hart erg verzwakt en treden er klachten op. Als het hart eenmaal pompkracht heeft verloren, is het moeilijk dit te herstellen.

Vier klassen hartfalen

De ernst van hartfalen is in 4 klassen in te delen. Dit is de indeling van de New York Heart Association (NYHA):

Klasse I: Er zijn geen klachten
Klasse II: Pas bij forse inspanning ontstaan klachten
Klasse III: Bij matige inspanning ontstaan klachten
Klasse IV: In rust of bij lichte inspanning zijn er klachten

Bij hartfalen klasse I of II heeft de patiënt niet altijd door dat er sprake is van hartfalen. Bij hartfalen klasse III of IV merkt de patiënt al klachten bij dagelijkse inspanningen als stofzuigen en traplopen.

Symptomen

Als het hart lange tijd minder goed pompt, krijgen de organen minder zuurstof en voedingsstoffen. De meest voorkomende klachten bij hartfalen zijn:

  • vermoeidheid
  • kortademigheid (vooral bij inspanning)
  • opgezette benen en enkels (het lichaam houdt vocht vast)
  • onrustig slapen en ’s nachts vaak plassen

Andere klachten zijn:

  • koude handen en voeten
  • hartritmestoornissen
  • opgeblazen gevoel en een moeilijke stoelgang
  • verminderde eetlust en toch zwaarder worden
  • prikkelhoest (vooral bij plat liggen)
  • vergeetachtigheid en gebrek aan concentratie

Deze klachten kunnen te maken hebben met hartfalen, maar ze kunnen ook andere oorzaken hebben. Raadpleeg bij klachten altijd de huisarts.

Acuut hartfalen

Meestal is hartfalen chronisch, maar het kan ook acuut optreden. Het kan daarbij gaan om een eerste presentatie van hartfalen of om een snelle verergering van bestaand chronisch hartfalen.

Een acute vorm van hartfalen is astma cardiale. Er hoopt zich in korte tijd vocht op in de longen waardoor de patiënt zich benauwd voelt. Omdat de klachten verergeren in een liggende houding, komt astma cardiale vaker 's nachts voor.

Bij ernstige benauwdheid, vaak samengaand met een piepende ademhaling of kriebelhoest, is het zaak om direct de huisarts of 112 te bellen.

Onderzoek & diagnose

Op basis van de klachten, lichamelijk onderzoek en eventuele voorgeschiedenis zal de arts vermoeden dat het om hartfalen gaat. Nader onderzoek is nodig om de diagnose te bevestigen. Onderzoeken waarmee de patiënt te maken kan krijgen, zijn:

BNP-gehalte

Ook kan het BNP-gehalte in het bloed aanvullende informatie geven. BNP (Brain Natriuretic Peptide) is een eiwit dat vrijkomt als hartspiercellen lange tijd onder hoge druk staan. Bij een hoog BNP-gehalte doet de cardioloog nader onderzoek om te bepalen of dit hoge gehalte door hartfalen komt. Bij een laag BNP-gehalte is hartfalen vrijwel uitgesloten.

Ejectiefractie

De ejectiefractie geeft aan hoeveel procent van het bloed wordt weggepompt per hartslag. De ejectiefractie is nooit 100%. Tijdens een hartslag blijft er altijd een deel van het bloed achter in de hartkamer. Gezonde mensen hebben een ejectiefractie van 60 tot 70%. Bij hartfalen is de ejectiefractie vaak sterk afgenomen. Bij een ejectiefractie van 40% of minder is er mogelijk sprake van hartfalen. Aanvullend onderzoek toont aan of dit werkelijk zo is.

Behandeling

Hartfalen is meestal een chronische aandoening, maar kan ook tijdelijk zijn.

Chronisch hartfalen

Over het algemeen is hartfalen chronisch en worden de klachten in de loop van de tijd erger. Mogelijke behandelingen zijn:

Medicijnen

Bij hartfalen worden vaak meerdere soorten medicijnen voorgeschreven. De behandeling bij chronisch hartfalen kan bestaan uit:

  • vaatverwijders (RAS-remmers en nitraten) om de vaten te verwijden en daardoor het hart te ontlasten
  • bètablokkers om de bloeddruk en hartslag te verlagen en het hart te ontlasten
  • plastabletten om overtollig vocht af te voeren

Als er klachten blijven bestaan, wordt de behandeling soms aangevuld met andere medicijnen, zoals:

  • Kaliumsparende plastabletten (MRA). Hierdoor wordt overtollig vocht via de urine afgevoerd, zonder dat er een kaliumtekort ontstaat.
  • Ivabradine. Als de patiënt ondanks de medicijnen een hoge hartslag blijft houden, wordt soms Ivabradine toegevoegd. Ivabradine verlaagt de hartslag. Hierdoor heeft het hart minder zuurstof nodig en verbetert de pompkracht van het hart.
  • Digoxine. Soms wordt digoxine (hartglycosiden) toegevoegd om de pompkracht van het hart te verbeteren en de hartslag te verlagen.
  • Nitroglycerine. Als de patiënt bij acuut hartfalen plotseling last krijgt van vocht achter de longen, ernstige benauwdheid en een piepende ademhaling, dan wordt nitroglycerine gebruikt om de bloedvaten naar het hart te verwijden. Ook verlaagt het medicijn de bloeddruk. Hierdoor vermindert het vocht in de longen en voelt de patiënt zich minder benauwd.

Cardiale resynchronisatietherapie (CRT)

Bij sommige hartfalenpatiënten trekken de hartkamers niet meer tegelijk samen. Dan pompt het hart het bloed minder efficiënt door het lichaam. In dat geval kan een pacemaker of ICD met een CRT-functie krijgen. Cardiale resynchronisatietherapie (CRT) zorgt ervoor dat de beide hartkamers weer tegelijk samentrekken.

Operatie

Soms is een operatie mogelijk bij hartfalen. Vaak worden dan diverse ingrepen gecombineerd in een operatie. Mogelijkheden zijn:

  • Reparatie van een hartklep. Dit kan bijvoorbeeld door een miralisklepring te plaatsen die de mitralisklep beter laat sluiten.
  • Bypassoperatie of dotteren van de kransslagaders. Deze ingreep kan verbetering geven wanneer er sprake is van ernstige vernauwing van de kransslagaders.
  • Verwijderen van een aneurysma van de linkerhartkamer. De vorm van de linkerkamer wordt hersteld door een stuk littekenweefsel weg te halen, bij voorbeeld met een Dor-operatie. De chirurg haalt daarbij een stuk littekenweefsel weg en hecht de goed werkende hartspiergedeeltes aan elkaar. Als het nodig is, gebruikt hij een lapje om ervoor te zorgen dat de linkerkamer de goede vorm krijgt en niet te klein wordt. Deze ingreep wordt vrijwel alleen uitgevoerd als er ook een bypassoperatie of een klepreparatie nodig is.
  • Ondersteunen van uitgerekte hartkamers. Uitgerekte hartkamers kunnen soms worden verstevigd. Dan plaatst de chirurg een soort netje om het hart om verdere uitrekking te voorkomen. Dit netje wordt een corcap genoemd.

Harttransplantatie en steunhart

Als de pompfunctie erg verslechterd is, kan een harttransplantatie de enige uitkomst zijn. Dit is slechts voor weinig patiënten mogelijk. De criteria om hiervoor in aanmerking te komen zijn streng en het aantal donorharten is beperkt.

Om de wachttijd tot aan de transplantatie te overbruggen, wordt soms een steunhart geplaatst.

Hartfalenpoli

Hartfalen is niet te genezen, maar de patiënt kan er wel mee leren leven. Veel ziekenhuizen hebben een hartfalenpoli. De verpleegkundigen die hier werken, helpen de patiënt door:

  • vragen te beantwoorden over medicijnen of dieet
  • het gewicht en de bloeddruk te controleren
  • het signaleren als klachten verergeren
  • de behandeling tijdig bij te sturen

Telemonitoring

Telemonitoring betekent dat patiënten samen met hun arts vanuit huis de gezondheid in de gaten kunnen houden met een meetapparaat. Patiënten hoeven zo minder vaak naar het ziekenhuis. Telemonitoring is geschikt voor mensen met hartfalen, of met een pacemaker of ICD.

Er zijn verschillende merken en systemen voor telemonitoring bij hartfalen in gebruik. De functionaliteiten zijn per systeem verschillend. De cardioloog beoordeelt welke functies zinvol voor een patiënt kunnen zijn.

Gewicht, voeding en vocht

Bij hartfalen is het hart onvoldoende in staat om het bloed door het lichaam te pompen. Daardoor houden de nieren natrium (zout) en vocht vast. Het lichaam houdt te veel vocht vast en de patiënt krijgt het snel benauwd en wordt snel moe.

Gewicht

Als iemand vocht vasthoudt, is dat meteen te zien aan het gewicht. Patiënten moeten zich daarom regelmatig (elke dag of om de paar dagen) wegen op hetzelfde tijdstip. Als iemand binnen een paar dagen meer dan 2 kilo aankomt, moet de arts of hartfalenverpleegkundige gewaarschuwd worden. Dan kan tijdig ingegrepen worden.

Voeding

Om het hart minder te belasten, is het belangrijk minder zout te gebruiken. Zout bevat natrium en natrium houdt vocht vast. Hoeveel zout iemand mag gebruiken, hangt af van de persoonlijk situatie en de behandeling. De cardioloog, diëtist of hartfalenverpleegkundige adviseert hierover.

Vocht

Naarmate iemand meer of minder drinkt, wordt het hart zwaarder belast. Als het nodig is, wordt de dagelijkse hoeveelheid vocht daarom beperkt tot 1,5 of 2 liter per dag. De cardioloog bepaalt of zo’n vochtbeperking nodig is.

Overgewicht

Ook ernstig overgewicht is een extra belasting voor het hart. Het is daarom belangrijk niet te zwaar te zijn.

Lees ook

Onderzoek naar afremmen schadelijk eiwit bij hartfalen

Wetenschapper Ralph van Oort onderzoekt of een bepaald eiwit een rol speelt bij hartfalen. Hij wil dit schadelijke eiwit afremmen.

Meer lezen

Vragen over hart of vaten?

Mail de Infolijn Hart & Vaten

stuur een e-mail

Bel de Infolijn Hart & Vaten 0900 3000 300

maandag t/m vrijdag van 9.00 - 13:00 uur.

Hartstichting.nl gebruikt cookies om het gebruik van de website te analyseren en het gebruiksgemak te verbeteren. Lees meer over cookies.

Stel uw persoonlijke cookie-instellingen in. Hou er rekening mee dat bepaalde onderdelen van hartstichting.nl niet of niet optimaal zullen functioneren als u cookies blokkeert. Lees ons cookie-statement voor meer informatie.