Van 5 t/m 11 april is het Hartweek. Geef aan de collectant of kom in actie.

Lees meer

Dotter- en stentbehandeling

Een dotter- en stentbehandeling heft vernauwingen op in de kransslagaders. Het is een veelvoorkomende behandeling.

Met dotteren brengt de arts via een slagader in de lies, pols of elleboogplooi, een dunne draad naar de vernauwing in de kransslagader van het hart. Daar wordt de ader opgerekt met een soort ballonnetje. Andere namen voor de dotterbehandeling zijn ballondilatatie en percutane coronaire interventie (PCI).

In de meeste gevallen wordt er ook een stent geplaatst. Een stent is een soort balpenveertje van metaal dat de vaatwand extra ondersteuning geeft. Het voorkomt dat het bloedvat na het dotteren weer terugveert.

Wanneer dotteren?

Het is niet bij alle vernauwingen nodig om te dotteren. Eerst wordt gekeken of behandeling met medicijnen een optie is. Dit is het minst belastend en brengt de minste risico's met zich mee.

Bij vernauwingen van 50 tot 70% overweegt de cardioloog een dotter- en stentbehandeling. Soms is een bypassoperatie de enige optie.

Dit hangt af van:

  • de ernst van de vernauwing
  • het aantal vernauwingen
  • de plek van de vernauwing
  • eerdere hartoperaties

De cardioloog beoordeelt met de patiënt wat voor hem of haar de beste behandeling is en bespreekt de voor- en nadelen.

Wachtlijst

De Begeleidingscommissie Hartinterventie Nederland (BHN) geeft periodiek een indicatie van een voorspelde wachttijd voor dotterbehandelingen.

Voorbereiding

De meeste mensen hebben voorafgaand aan de dotter- en stentbehandeling een hartkatheterisatie gehad. Het dotteren lijkt een beetje op die van een hartkatheterisatie.

Vooraf spreekt een verpleegkundige de behandeling met de patiënt door. Als de patiënt erg angstig is, kan hij of zij soms een kalmerend middel krijgen.

Dotteren - ballonnetje opblazen

dotter- en stentbehandelingDe behandeling start met een plaatselijke verdoving op de plek waar de katheter ingebracht wordt. Via een slagader in de lies, pols of elleboogplooi, brengt de interventiecardioloog een dunne draad naar de vernauwing in de kransslagader van het hart.

Over de draad schuift de cardioloog een ballonnetje naar de plek van de vernauwing. Daar wordt het ballonnetje opgeblazen. Dit wordt een aantal keren herhaald totdat het bloedvat wijd genoeg is en niet meer terugveert. De patiënt kan een beetje druk op de borst voelen als het ballonnetje de kransslagader tijdelijk afsluit. Dit hoort bij de behandeling en is van korte duur.

Plaatsen van een stent

In de meeste gevallen plaatst de cardioloog ook een stent. Een stent is een soort balpenveertje van metaal. Een stent geeft de vaatwand extra ondersteuning en voorkomt dat het bloedvat na het dotteren weer terugveert. Er worden ook stents met medicijnen (drug eluting stents) gebruikt om opnieuw dichtslibben in de stent te voorkomen. Een stent kan niet altijd geplaatst worden, bijvoorbeeld omdat het bloedvat te klein is.

rontgenfoto van vernauwingWeinig risico’s en complicaties

Meer dan 95% van de dotterbehandelingen slaagt. De röntgenbeelden tonen op de bovenste foto de situatie vóór de dotter- en stentbehandeling. De onderste foto laat het resultaat zien: de bloeddoorstroming is hersteld.

Meestal verloopt de ingreep zonder problemen. Toch is er altijd een kleine kans op complicaties, zoals:

  • een bloeduitstorting bij het prikgat
  • een afwijking van het hartritme
  • een overgevoeligheidsreactie op de contrastvloeistof
  • kramp van de kransslagader

Zelden ernstige complicaties

Ernstige complicaties komen zelden voor, zoals:

  • de vorming van een bloedstolsel, dit kan leiden tot een hartinfarct of een herseninfarct
  • overbelasting van de bloedsomloop en kortademigheid door de hoeveelheid contrastvloeistof
  • een inwendige bloeding door beschadiging van een bloedvat
  • (gedeeltelijke ) afsluiting door scheur (dissectie)

Vooral in het eerste half jaar is er een kans dat er opnieuw klachten optreden of het vat opnieuw dicht gaat zitten.

Film verloop dotter- en stentbehandeling

Cardioloog Dr. Haasdijk legt uit hoe een dotter- en stentbehandeling verloopt.

Na de behandeling

Na de behandeling drukt de verpleegkundige het gaatje in het bloedvat goed dicht. De patiënt krijgt een drukverband of een afdichtingsdopje dat vanzelf oplost. Een lichte, zeurende pijn op de borst moet de patiënt melden aan de arts of verpleging.

Eenmaal thuis is het goed om het been of de arm waarin geprikt is, te ontlasten. Er kan een blauwe plek ontstaan. Het is normaal dat de patiënt ongeveer een week een trekkerig gevoel in de hartstreek houdt. Dit verdwijnt vanzelf.

Het innemen van de voorgeschreven antistollingsmiddelen is erg belangrijk om trombose te voorkomen.

Ook rust nemen is belangrijk. Een ingreep aan het hart kan een flinke impact hebben op het leven van de patiënt. Angst dat het lichaam hem in de steek kan laten is normaal. De patiënt kan hierover praten met de huisarts of hartspecialist.

Hartrevalidatie is ook een goede manier om het vertrouwen in het lichaam terug te krijgen. De patiënt leert zijn of haar lichamelijke grenzen kennen en heeft contact met andere hartpatiënten.

Lees ook

Onderzoek naar betere stents

De Hartstichting investeert in een groot onderzoek naar betere stents. Het doel is om stents te ontwikkelen die niet dichtgroeien.

Meer lezen

Deel via:
Vragen