Spring direct naar Zoeken, Site-navigatie, Inhoudsopgave

Ablatie is een behandeling bij hartritmestoornissen. Hierbij worden littekens in het hartweefsel gemaakt om nieuwe ritmestoornissen te voorkomen. Voor wie is dit en welke technieken zijn er?

Bij hartritmestoornissen is de elektrische aansturing van het hart verstoord. Er ontstaan prikkels op verkeerde plaatsen of ze volgen een verkeerde route over het hart. 

Ablatie vindt plaats via een katheter, die verhit of gekoeld wordt. Bij de ablatie worden met opzet littekens van enkele millimeters in de binnenwand van het hart gemaakt. Het resultaat van ablatie is dat de plek waar de stoornissen ontstaan uitgeschakeld wordt.

Voor wie?
Niet iedereen met een ritmestoornis komt in aanmerking voor een ablatie. De ingreep wordt overwogen als u:

  • veel klachten heeft  
  • een ritmestoornis heeft die ernstige gevolgen kan hebben
  • u andere behandelingen heeft gehad die onvoldoende werken
  • u medicijnen gebruikt die onvoldoende helpen of vervelende bijwerkingen geven

Hoe verloopt een ablatie?
Een ablatie vindt plaats onder lokale verdoving van de plek waar de katheters ingebracht worden, meestal de lies.

Katheterablatie: inbrengen kathether

Bij de ablatie worden met opzet littekens van enkele millimeters in de binnenwand van het hart gemaakt. 

Het maken van littekens kan op 2 manieren:

  • verhitten met radiofrequente energie (RF-ablatie)
  • bevriezen (cryoablatie)

Tijdens het maken van de littekens ontstaat een branderig gevoel, dat soms pijnlijk kan zijn.

Er moeten meestal meerdere littekens gemaakt worden. Na elk litteken moet de katheter weer opnieuw op de juiste temperatuur komen. De totale ablatiebehandeling duurt 2 tot 4 uur.

Verschillende plekken
De plek van de ablatie verschilt en is afhankelijk van de ritmestoornis.

Soms is er een duidelijke bron aan te wijzen die met ablatie uitgeschakeld wordt (focale stoornis).

In andere gevallen is er een extra verbinding of pad, die de stoornis veroorzaakt. Deze wordt dan uitgeschakeld. Voorbeelden zijn:

  • AV Nodale Re-entry Tachycardie (AVNRT). Bij deze aandoening is er een snel en een langzaam pad in de AV-knoop. Het langzame pad wordt geableerd.
  • Wolff-Parkinson-White Syndroom (WPW-syndroom). Bij deze aandoening wordt de extra elektrische verbinding tussen boezems en kamers verbroken door ablatie
  • kamertachycardie. Ritmestoornissen ontstaan bij deze aandoening op een vaste plek (focus). Deze wordt uitgeschakeld. Soms is de stoornis het gevolg van een hartinfarct. Er lopen grillige geleidende paden in het infarctgebied, die uitgeschakeld moeten worden.
  • boezemflutter: rondcirkelende stroom rondom de tricuspidalisklep tussen de rechterboezem en -kamer. Door een lijn van puntjes te branden, wordt deze cirkel onderbroken en stopt de ritmestoornis.
  • boezemfibrilleren: prikkels ontstaan vaak in en rond de longaders (pulmonaalvenen). Deze plekken worden geïsoleerd (pulmonaalvenenisolatie).

Na de ingreep
Meestal mag u de volgende dag naar huis. In het begin moet u nog rustig aan doen om de wond in de lies te ontlasten.

Houd er rekening mee dat u in de eerste maanden na de ablatie nog ritmestoornissen voelt. Dit komt omdat het tijd kost voordat de gemaakte wondjes op het hart echte littekens zijn. Pas dan worden er geen prikkels meer geleid. Daarom mag u vaak niet meteen stoppen met uw medicijnen voor het hartritme.

Ook moet u een tijdje medicijnen blijven gebruiken om stolselvorming op de littekens te voorkomen.

Risico's van ablatie
Ablatie is een veilige ingreep. Het meest vervelende is vaak een bloeduitstorting op de prikplaats. 

Het komt soms voor dat tijdens de ingreep:

  • er een snelle ritmestoornis ontstaat waardoor u het bewustzijn kunt verliezen. De arts past dan cardioversie toe.
  • vocht in het hartzakje komt door beschadiging van de hartspier
  • stolselvorming op de katheter ontstaat (medicijnen kunnen dit voorkomen)
  • de AV-knoop wordt beschadigd, waardoor een pacemaker nodig is. De kans hierop is erg klein, minder dan 0,5%. 

Succesvol verloop
De kans op succes verschilt per aandoening. Bij sommige ritmestoornissen is dit meer dan 90%.

Bij boezemfibrilleren is de kans op succes lager. Vraag uw cardioloog om een inschatting. Het is namelijk sterk afhankelijk van uw persoonlijke situatie.

Soms moet de ingreep herhaald worden, voordat u definitief van uw klachten af bent.

Verschillende technieken
De hierboven beschreven techniek is de basistechniek. Voor de verschillende ritmestoornissen bestaan aparte ablatietechnieken. Deze staan apart beschreven:

De maze-operatie 
De maze-operatie is de oudste operatieve ingreep bij ritmestoornissen. Het is ook een relatief zware ingreep, omdat het een openhartoperatie is. 

Bij de maze-operatie maakt de hartchirurg littekens op speciale plekken in beide boezems. Er ontstaat een soort doolhof (maze). Dit doolhof bepaalt de weg die de prikkel moet volgen en blokkeert tegelijk de weg voor storende prikkels.

Deze vorm van maze-operatie wordt niet vaak meer uitgevoerd, vanwege de risico's. Er zijn ook minder risicovolle ingrepen beschikbaar, zoals de katheterablatie en de kijkoperatie.

Soms wordt er wel een soort maze-operatie uitgevoerd in combinatie met een bypass- of hartklepoperatie. De borstkas moet dan toch al geopend worden.